
het is mistig en koud
en buiten is het hondjes-uur
de mensen niezen en niezen
tussen de tegels kijk ik naar de voegen
ik aarzel als ik oversteek
sommige jongens fietsen terug naar huis
met de volle boodschappentas aan een lange arm
bungelend langs hun been terwijl ze stevig doortrappen
ik wil ook zo’n jongen zijn
in het Kruidvat lopen mannen met een helm op
en vrouwen zeggen dat hele gezinnen niet bidden maar wel troep maken
dat zijn gevonden toevalligheden die ik grif in mijn tas stop
in mijn eigen AH, wil ik met de NOS-journalist
die de mooiste ogen heeft die ik ken, flirten,
terwijl hij ook op zijn knieën voor de koffiefilters zit,
ik heb het lef daarvoor niet,
maar soms moet je bluffen,
bij het station zit een paar
op een verwarmd terras
en de vrouw kijkt onafgebroken naar de man
terwijl het rommelige hondje op schoot haar gezicht aflikt
zij zegt van niemand méér te houden
maar tegen wie heeft ze het dan?
als mensen met strijkplanken mij tegemoet lopen
en zeggen dat een heel dorp nodig is om een kind op te voeden
weet ik dat deze stad genoeg is om een dichter te inspireren